ECLI:NL:PHR:2012:BV3457
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inbeslagneming tijdens doorzoeking op grond van Europees rechtshulpverzoek
In deze zaak staat de rechtmatigheid van de inbeslagneming tijdens een doorzoeking door de rechter-commissaris centraal, uitgevoerd op grond van een Europees rechtshulpverzoek van Franse autoriteiten in een onderzoek naar witwassen.
De verdediging stelde dat de doorzoeking onrechtmatig was omdat het redelijk vermoeden ontbrak dat in de woning van klager relevante goederen aanwezig waren. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat de feiten en omstandigheden die door de Franse autoriteiten waren gesteld een redelijk vermoeden opleverden dat er voorwerpen aanwezig waren die van belang konden zijn voor het onderzoek.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke regeling die de bevoegdheid van de rechter-commissaris regelt voldoet aan de vereisten van art. 8 lid 2 EVRM Pro, waaronder de eis van voorspelbaarheid en proportionaliteit. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank bij vergissing heeft nagelaten een voorbehoud op te nemen in de beschikking dat de inbeslaggenomen stukken na gebruik voor de strafvordering teruggezonden dienen te worden, en herstelt dit verzuim ambtshalve.
Het beroep in cassatie wordt voor het overige verworpen, waarmee de rechtmatigheid van de inbeslagneming wordt bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de inbeslagneming en herstelt het verzuim omtrent het voorbehoud bij afgifte van de stukken.