ECLI:NL:PHR:2012:BU8758
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid betekening dagvaardingen en niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep buitenlandse rechtspersoon
In deze zaak stond centraal de vraag of de dagvaardingen aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde rechtspersoon rechtsgeldig waren betekend, waarbij onder meer de naleving van art. 532 en Pro 588 lid 2 Sv en art. 5 van Pro het EU-rechtshulpverdrag werd getoetst.
De dagvaardingen in eerste aanleg en hoger beroep waren verzonden per aangetekende post naar de door de verdachte opgegeven adressen in Groot-Brittannië, met vertalingen van de dagvaarding in het Engels bij de eerste aanleg. Hoewel een vertaling van de appèldagvaarding ontbrak, achtte de Hoge Raad dit niet doorslaggevend omdat van een verdachte die hoger beroep instelt mag worden verwacht dat hij de nodige maatregelen neemt om kennis te nemen van de procedure.
Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat geen grieven waren ingediend binnen de wettelijke termijn en de verdachte niet was verschenen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof dit terecht had gedaan en dat het hof niet gehouden was dit nader te motiveren. De klacht dat de verdachte niet op de hoogte was van de zittingen en procedure werd verworpen omdat zij bewust geen rechtsbijstand had genomen en wel op de hoogte was van de veroordeling.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep en de geldigheid van de betekening ongewijzigd bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van de betekening en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep.