ECLI:NL:PHR:2012:BU8176
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verval van instantie wegens niet tijdig dienen van grieven ondanks verzoek tot schorsing
In deze zaak stond centraal de vraag of het hof terecht de instantie had vervallen verklaard wegens het niet tijdig dienen van een memorie van grieven door appellant, ondanks dat appellant incidenteel schorsing van de procedure had verzocht. De procedure betrof een hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, waarin appellant na verlening van uitstel geen grieven heeft genomen, waarna de zaak ambtshalve werd doorgehaald.
ABN AMRO heeft vervolgens verval van instantie gevorderd op grond van artikel 251 Rv Pro, omdat appellant langer dan twaalf maanden had nagelaten de proceshandeling waarvoor de zaak stond te verrichten. Het hof heeft na een laatste uitsteltermijn van zes weken vastgesteld dat appellant geen grieven heeft genomen en het verzoek tot schorsing van de procedure afgewezen. De instantie werd vervallen verklaard.
Appellant stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het verzoek tot schorsing een nieuw uitstelverzoek was en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de incidentele vordering niet vooraf behandeld werd. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 251 Rv Pro van toepassing is en dat het dienen van grieven de proceshandeling is waarvoor de zaak stond. Het incidentele verzoek tot schorsing ontslaat appellant niet van de verplichting tijdig grieven te dienen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de procedure terecht werd afgebroken wegens verval van instantie. De beslissing van het hof was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarmee werd de vordering tot verval van instantie toegewezen en de procedure beëindigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de instantie terecht is vervallen verklaard wegens het niet tijdig dienen van grieven.