ECLI:NL:PHR:2012:BU7290
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering wegens overschrijding termijn
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de ontnemingsvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De verdediging voerde aan dat de strafzaak en de ontnemingszaak te lang hadden geduurd, wat zou leiden tot schending van het gelijkheidsbeginsel en niet-ontvankelijkheid van het OM.
Het hof had in de strafzaak wel op dit verweer gereageerd en een matiging van de straf toegepast wegens de overschrijding, maar had in de ontnemingszaak geen motivering gegeven op dit punt. De Hoge Raad stelde vast dat het hof het verweer in de ontnemingszaak niet hoefde te behandelen, omdat het verweer primair op de strafzaak betrekking had en de ontnemingszaak later aanhangig was gemaakt.
De Hoge Raad bevestigde dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM in een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr. Ook als het verweer in de ontnemingszaak zou zijn gevoerd, zou het middel niet tot cassatie leiden omdat het hof in de strafzaak voldoende redenen had gegeven om het OM ontvankelijk te verklaren.
Het beroep van betrokkene werd verworpen en het hofarrest bevestigd, waarbij tevens werd opgemerkt dat de strafvermindering in de hoofdzaak ook een reden was om geen vermindering van het ontnemingsbedrag toe te passen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd; overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de ontnemingsvordering.