ECLI:NL:HR:2012:BU7290

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03432 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over overschrijding redelijke termijn bij vordering ontneming wederrechtelijk voordeel

In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Sr. De betrokkene stelde dat het hof had moeten beslissen op zijn beroep dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof inderdaad had verzuimd op dit beroep te beslissen, waardoor het middel gegrond was. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim niet tot cassatie kon leiden omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd. Het arrest bevestigt daarmee de jurisprudentie dat de redelijke termijnenregeling niet geldt als grond voor niet-ontvankelijkheid in procedures op grond van artikel 36e Sr. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 24 januari 2012.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM in een vordering tot ontneming.

Uitspraak

24 januari 2012
Strafkamer
nr. S 10/03432 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 27 april 2010, nummer 21/002589-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering als bedoeld in art. 36e Sr wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
2.2. Het middel is gegrond. Nochtans kan het niet tot cassatie leiden omdat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering als bedoeld in art. 36e Sr (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 24 januari 2012.