ECLI:NL:HR:2012:BU7290
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overschrijding redelijke termijn bij vordering ontneming wederrechtelijk voordeel
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Sr. De betrokkene stelde dat het hof had moeten beslissen op zijn beroep dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof inderdaad had verzuimd op dit beroep te beslissen, waardoor het middel gegrond was. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim niet tot cassatie kon leiden omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd. Het arrest bevestigt daarmee de jurisprudentie dat de redelijke termijnenregeling niet geldt als grond voor niet-ontvankelijkheid in procedures op grond van artikel 36e Sr. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 24 januari 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM in een vordering tot ontneming.