ECLI:NL:PHR:2012:BU6506
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging effectenleaseovereenkomsten wegens ontbreken toestemming echtgenote en verjaring
Deze zaak betreft de effectenleaseovereenkomsten die door de echtgenoot zijn aangegaan zonder de vereiste schriftelijke toestemming van zijn echtgenote, wat op grond van art. 1:88 en Pro 1:89 BW leidt tot vernietigbaarheid van de overeenkomsten. De echtgenote heeft buitengerechtelijk vernietiging ingeroepen, maar Dexia stelde dat deze bevoegdheid was verjaard.
De kern van het geschil was of de verjaringstermijn van drie jaar was gaan lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten. Dexia stelde dat betalingen via een gezamenlijke 'en/of'-rekening plaatsvonden en dat bankafschriften mede aan de echtgenote waren gericht, wat volgens het hof de conclusie rechtvaardigde dat zij vanaf september 2000 bekend was met de overeenkomsten.
De Hoge Raad bevestigde dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf daadwerkelijke, subjectieve bekendheid van de echtgenote met de overeenkomst. Het hof mocht op grond van de stellingen en het bewijs aannemen dat de echtgenote voldoende bekend was en dat de stellingen van de eisers onvoldoende gemotiveerd waren om dit te betwisten. Ook werd bevestigd dat de echtgenoot die de overeenkomst heeft gesloten zich niet kan beroepen op de vernietigingsgrond van de echtgenote via art. 3:51 lid 3 BW Pro en dat de vordering tot voeging van de echtgenote terecht was afgewezen.
Uitkomst: De bevoegdheid van de echtgenote tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten was verjaard, waardoor de vernietiging niet meer mogelijk was.