ECLI:NL:PHR:2012:BQ3008
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering tot vernietiging echtscheidingsconvenant en schadevergoeding wegens onrechtmatige daad
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van aandelen en certificaten in het kader van hun echtscheiding in 1977. De vrouw stelt dat de man haar onjuiste informatie heeft verstrekt, wat leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van het echtscheidingsconvenant en de daaropvolgende verdeling, en vordert schadevergoeding.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de vorderingen van de vrouw zijn verjaard: de vernietigingsvordering verjaart drie jaar na de boedelscheiding en de schadevordering uit onrechtmatige daad verjaart twintig jaar na de gebeurtenis. De vrouw betoogde dat zij pas in 2005 door een rapport van een deskundige voldoende aanwijzingen had voor haar vorderingen, maar het hof hield vast aan het recht van 1977 en verwierp haar beroep op redelijkheid en billijkheid.
In cassatie bevestigt de Hoge Raad dat het recht van 1977 van toepassing is en dat de verjaringstermijnen zijn verstreken. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de man incidenteel hoger beroep had ingesteld, en vernietigt het arrest voor zover het de man in proceskosten veroordeelt in het incidentele hoger beroep. Het principaal cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De vorderingen van de vrouw zijn verjaard en worden afgewezen; het incidentele cassatieberoep van de man wordt gegrond verklaard en de proceskostenveroordeling tegen hem vernietigd.