ECLI:NL:PHR:2011:BS8795
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tijdige aanvaarding testamentaire voogdij door biologische vader
Deze zaak betreft de vraag of de bij testament van de moeder als tweede voogd benoemde oom aanspraak kan maken op de voogdij over zijn neef nadat de moeder is overleden en de biologische vader de testamentaire voogdij heeft aanvaard.
De moeder benoemde in haar testament de biologische vader als primaire voogd en de oom als secundaire voogd. Na het overlijden van de moeder heeft de vader een verklaring afgelegd ter griffie van de rechtbank waarin hij de voogdij aanvaardde. De oom stelde dat de vader niet tijdig had aanvaard en dat hij daarom als tweede benoemde voogd in aanmerking kwam.
De rechtbank en het hof verklaarden de oom niet-ontvankelijk omdat de vader de voogdij tijdig had aanvaard. De Hoge Raad oordeelt dat de 14-dagentermijn voor aanvaarding van de voogdij begint te lopen na betekening van het testament, niet vanaf het moment van kennisneming. De vader heeft binnen deze termijn de voogdij aanvaard. Daarnaast is volgens de Hoge Raad alleen de overlevende ouder bevoegd om wijziging van de voogdij te verzoeken, niet de oom.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de oom geen rechtsgrond heeft om op te komen tegen de voogdijvoorziening.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voogdij van de biologische vader bevestigd.