ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8162
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Brants
- Lamers
- Vlaardingerbroek
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beschikking rechtbank inzake testamentaire voogdij en niet-ontvankelijkheid verzoekers
De zaak betreft een geschil over de testamentaire voogdij over een minderjarige zoon wiens moeder is overleden. De moeder had in haar testament de biologische vader als voogd benoemd, met de oom als opvolgend voogd. De vader heeft de voogdij aanvaard, hoewel appellanten (de oom, grootmoeder en broer) stelden dat de aanvaarding niet tijdig was vanwege een vermeende onjuiste betekening.
De appellanten voerden aan dat de executeur testament de voogdij had betekend, waarna de termijn van twee weken voor aanvaarding was verstreken, waardoor de voogdij niet tijdig was aanvaard. Zij betoogden dat zij op grond van artikel 1:253g BW alsnog met het gezag over het kind belast zouden moeten worden. De vader en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat de vader de voogdij wel tijdig en rechtsgeldig had aanvaard en dat het belang van het kind het best gediend was met de voogdij bij de vader.
Het hof oordeelde dat er geen bewijs was voor een formele betekening door de rechtbank en dat de aanvaarding door de vader tijdig was geschied. Hierdoor ontbrak een wettelijke grondslag voor de verzoeken van de oom, grootmoeder en broer. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Breda en wees de verzoeken van appellanten af.
De uitspraak benadrukt het belang van het juridische gezag bij de ouder en de zorgvuldige afweging van het belang van het kind, waarbij het geschil tussen familieleden en de plaatsing in een neutraal pleeggezin werden betrokken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de verzoeken van oom, grootmoeder en broer niet-ontvankelijk.