ECLI:NL:PHR:2011:BR3062
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag en gezagsrecht
Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de vader zonder toestemming van de moeder van Frankrijk naar Nederland is gebracht. De moeder, die het gezag over de minderjarige uitoefent, heeft via de Franse en Nederlandse centrale autoriteiten een verzoek tot teruggeleiding ingediend op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
De rechtbank wees het verzoek af omdat zij oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige Nederland was en dat de vader het gezag mede uitoefende. Het hof vernietigde dit oordeel en stelde vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder in Frankrijk lag en dat de moeder het gezag alleen uitoefent. De vader handelde in strijd met het gezagsrecht door de minderjarige naar Nederland te brengen.
De vader voerde in cassatie onder meer aan dat het gezag ook bij hem berustte en dat de Centrale Autoriteit niet bevoegd was op te treden. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het gezag volgens Nederlands recht bij de moeder ligt. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende rekening had gehouden met het belang van het kind, zoals vereist onder het EVRM en het HKOV.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat de teruggeleiding van de minderjarige naar Frankrijk moest worden gelast.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de teruggeleiding van de minderjarige naar Frankrijk wordt bevestigd.