ECLI:NL:PHR:2011:BR0409
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij wijziging ouderlijk gezag en ondertoezichtstelling minderjarige
In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om te beslissen over een verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag en ondertoezichtstelling van een minderjarige. De moeder en vader hadden een affectieve relatie en de moeder oefende het ouderlijk gezag uit. De vader had omgangsrechten en verzocht om eenhoofdig gezag en ondertoezichtstelling.
De moeder stelde dat zij met de minderjarige naar Rusland was verhuisd en zich daar blijvend had gevestigd. De rechtbank 's-Gravenhage verwierp dit en oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op het moment van het verzoek in Nederland was. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde vast dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gewone verblijfplaats was gewijzigd.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'gewone verblijfplaats' autonoom moet worden uitgelegd volgens de criteria van het Hof van Justitie van de EU. Beslissend is de verblijfplaats op het moment van indiening van het verzoek. Verhuizing na dit moment verandert de bevoegdheid niet. De moeder bracht onvoldoende feiten aan om aan te tonen dat de gewone verblijfplaats vóór het verzoek was gewijzigd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Brussel II-bis en verwerpt het cassatieberoep.