ECLI:NL:HR:2011:BR0409

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02600
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 8 lid 1 Brussel II-bis
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wijziging ouderlijk gezag en ondertoezichtstelling minderjarige afgewezen

In deze zaak stond een verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag en tot ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal. De moeder, woonachtig in Rusland, stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vader stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad verwees naar eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof en behandelde het cassatieberoep op basis van artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De klachten van de moeder konden geen cassatiegrond vormen, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het principale beroep. Omdat het principale beroep faalde, werd het incidentele beroep van de vader niet inhoudelijk behandeld.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 van Pro Brussel II-bis en verwierp het cassatieberoep. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft gehandhaafd.

Uitspraak

9 september 2011
Eerste Kamer
10/02600
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats], Rusland,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 304154/FA RK 08-916 van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 oktober 2008;
b. de beschikking in de zaak 200.023.661/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 maart 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. De vader heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het principale beroep.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.