ECLI:NL:PHR:2011:BQ6731
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens uitlatingen in column over Joden niet onnodig grievend volgens art. 137c Sr
De zaak betreft een verdachte die in een column in het studentenblad Havana uitlatingen deed over Joden, waaronder een passage die refereert aan de nazi-tijd en de Jodenvervolging. Het hof sprak verdachte vrij omdat het oordeelde dat de uitlatingen, hoewel beledigend en schokkend, niet onnodig grievend waren in de context van een column die gekenmerkt wordt door ironie en provocatie, en dat de uitlatingen niet de grenzen van de vrijheid van meningsuiting overschreden zoals beschermd door art. 10 EVRM Pro.
Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak met klachten dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had omtrent het begrip 'beledigend' in art. 137c Sr en onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde passages niet als beledigend werden beschouwd, vooral in samenhang met de gehele column.
De Hoge Raad overwoog dat het hof de context van de column terecht had betrokken bij de beoordeling, maar dat het oordeel dat de uitlatingen niet onnodig grievend waren, omdat zij een functie vervulden in de column, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd was. De Raad benadrukte dat het gebruik van beledigende uitlatingen over een groep mensen wegens hun ras louter met het oog op aandacht trekken niet het nodeloze karakter ervan wegneemt. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.