ECLI:NL:HR:2001:ZD2776
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken beledigend karakter in romanpassage over Joden
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd vrijgesproken van het primair tenlastegelegde: het opzettelijk beledigen van Joden wegens hun ras in zijn roman "Danslessen". De tenlastelegging betrof met name een passage waarin een figuur in het boek de uitdrukking "maar ja, wat wil je ook, met zo'n joodje aan het hoofd" gebruikte.
Het hof had geoordeeld dat deze uitlating werd gedaan door een fictieve romanfiguur, "de uitgedoofde pijp", en dat deze niet als een uiting van verdachte zelf kon worden beschouwd. De Hoge Raad stelde vast dat het hof hiermee de grondslag van de tenlastelegging had verlaten, omdat het begrip "zich beledigend uitlaten" in art. 137c Sr en "beledigen" in art. 266 en Pro 267 Sr niet juist was toegepast.
Toch oordeelde de Hoge Raad dat, gelet op de context van de roman en de aard van de artistieke expressie, de passage niet als beledigend kon worden aangemerkt. De vrijheid van artistieke expressie, beschermd door art. 10 EVRM Pro en art. 7 Grondwet Pro, is niet onbeperkt, maar in dit geval was er geen sprake van een kennelijk misbruik om te beledigen.
Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bleef de vrijspraak in stand. De zaak benadrukt het belang van context en artistieke vrijheid bij de beoordeling van belediging in literaire werken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van een strafbare belediging in de context van de roman.