ECLI:NL:PHR:2011:BQ5720

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03187
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 328 SvArt. 330 SvArt. 415 SvArt. 359a Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-beslissen op getuigenverzoek in hoger beroep strafzaak Opiumwet

In deze strafzaak werd verdachte door het hof veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en medeplegen van voorbereiding van een strafbaar feit. Tijdens het hoger beroep had de raadsman van verdachte een verzoek ingediend om twee getuigen te horen, als bedoeld in art. 315 jo Pro. 328 Sv. Dit verzoek vereiste een uitdrukkelijke beslissing van het hof.

Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest bevatte een beslissing op dit getuigenverzoek. Dit vormverzuim leidt op grond van art. 330 jo Pro. 415 Sv tot nietigheid van het arrest. De Hoge Raad oordeelt dat het verzuim niet gecompenseerd kan worden door de verwerping van het primaire verweer en verklaart het eerste middel van cassatie gegrond.

De overige middelen van cassatie worden niet inhoudelijk behandeld vanwege het slagen van het eerste middel. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug aan het hof te 's-Gravenhage voor een nieuwe behandeling in hoger beroep, waarbij het getuigenverzoek uitdrukkelijk moet worden behandeld.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet beslissen op het getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. S 09/03187
Mr. Vegter
Zitting 17 mei 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 22 juli 2009 ter zake van feit 1: "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" en feit 2: "medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10,(1) voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 194 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Daarenboven heeft het Hof verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de teruggave aan de verdachte gelast van een inbeslaggenomen personenauto, Mitsubishi Colt, kenteken [AA-00-BB].
2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Buitenhuis, advocaat te Noordwijk, cassatie ingesteld. Mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het subsidiaire verzoek van de raadsman van verdachte om twee getuigen te horen.
4. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2009 heeft de raadsman van verdachte aldaar - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende aangevoerd:
"(...) dan wel dat er sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de behandeling van de zaak niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
In samenhang met dit verweer doet de raadsman het subsidiaire verzoek de verbalisanten [verbalisant 1] (opsteller van de machtigingen tot binnentreden) en [verbalisant 2] (opsteller van het proces-verbaal bevindingen identiteit [medeverdachte 2]) als getuigen te (doen) horen.
(...)
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
(...)
Derhalve is niet gebleken dat er sprake is van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte.
Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen."
5. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Rechtmatigheid van het verkregen bewijs
De raadsman heeft betoogd dat (...) Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Subsidiair heeft de raadsman bepleit tot strafvermindering.
Het hof overweegt het volgende.
(...)
Voorts is gelet op het voorgaande niet gebleken van enig onherstelbaar verzuim waardoor op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering compensatie dient te worden gegeven in de vorm van strafvermindering."
6. Het onder 4 weergegeven verzoek is een verzoek tot het horen van twee getuigen als bedoeld in art. 315 in Pro verbinding met art. 328 Sv Pro, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.(2) Ik heb mij nog even afgevraagd of het antwoord op het verzoek tot het horen van getuigen niet voldoende besloten ligt in de verwerping van het (primaire) verweer, maar meen dat hoewel de reactie van het Hof gelet op de verwerping van het verweer wel kan worden ingetekend, dat te ver zou gaan. Het eerste middel slaagt mitsdien.
7. In het tweede middel wordt geklaagd over de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer. In het derde middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 2. In aanmerking genomen dat het eerste middel m.i. slaagt, hetgeen zal leiden tot vernietiging van het bestreden arrest, laat ik het tweede en derde middel buiten bespreking. Ingeval de Hoge Raad dit anders ziet, houd ik mij gereed op deze punten een aanvullende conclusie te nemen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kennelijk is gedoeld op de Opiumwet.
2 HR 25 januari 2011, LJN BN4133.