ECLI:NL:PHR:2011:BQ0838
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitlevering naar Suriname en risico flagrante schending mensenrechten
In deze zaak gaat het om een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Suriname, waarbij de verdediging aanvoert dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege het risico op foltering en een oneerlijk proces. De rechtbank Groningen verklaarde het uitleveringsverzoek toelaatbaar, waarbij zij oordeelde dat de beoordeling van het risico op mensenrechtenschendingen voorbehouden is aan de Minister van Justitie.
De Hoge Raad stelt dat de uitleveringsrechter wel degelijk bevoegd is om te toetsen of uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft dit niet correct toegepast en heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen over het beroep op dreigende flagrante schending van mensenrechten.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat de rechtbank opnieuw moet oordelen, waarbij zij de juiste toetsingscriteria moet hanteren. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat het vertrouwen in de verzoekende staat Suriname weliswaar uitgangspunt is, maar dat dit vertrouwen niet absoluut is als sprake is van een reëel risico op ernstige mensenrechtenschendingen.
De uitspraak bevat belangrijke overwegingen over de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter en de Minister van Justitie bij uitleveringszaken en de toepassing van het EVRM in dat kader.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank wegens onvoldoende motivering over het risico op flagrante schending van mensenrechten en bepaalt dat de rechtbank opnieuw moet oordelen.