ECLI:NL:PHR:2011:BP6467
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofarrest wegens onvoldoende motivering bij oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof voldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het door de verdediging uitdrukkelijk en onderbouwd naar voren gebrachte standpunt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte onevenredige vreemdelingenrechtelijke consequenties zou hebben. De verdachte was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens illegaal verblijf terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard.
De verdediging had aangevoerd dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de termijn voor terugkeer naar Nederland en gezinshereniging aanzienlijk zou verlengen, waardoor de straf onevenredig zwaar zou zijn. Het hof had in zijn arrest volstaan met een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en niet specifiek gereageerd op het betoog over de vreemdelingenrechtelijke consequenties.
De Hoge Raad oordeelde dat dit een schending van artikel 359, tweede lid, Sv inhoudt, omdat het hof niet de redenen heeft gegeven waarom het van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt was afgeweken. Dit gebrek aan motivering leidt tot nietigheid van het arrest. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing.
Deze uitspraak bevestigt de motiveringsplicht van het hof bij afwijking van een duidelijk en onderbouwd standpunt van de verdediging, ook wanneer het gaat om vreemdelingenrechtelijke gevolgen van een straf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering bij de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.