ECLI:NL:PHR:2011:BP2281
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing driemaandenvereiste voor fictieve belastingonderworpenheid bij uitzending naar niet-verdragslanden
Belanghebbende was in 2004 werkzaam in niet-verdragslanden Bahrein en Iran en in verdragsland Zuid-Afrika. De vraag was of de periode van verlof die administratief aan Zuid-Afrika werd toegerekend, meetelt voor het driemaandenvereiste van artikel 38, tweede lid, AWR, dat bepaalt dat loon uit arbeid in niet-verdragslanden fictief wordt geacht aan belasting te zijn onderworpen.
De Rechtbank oordeelde dat het verlof als gewone arbeidsonderbreking meetelt, ongeacht de plaats van verlof, en verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond. Het Hof vernietigde dit en stelde dat het verblijf in het verdragsland Zuid-Afrika ertoe leidt dat niet aan het vereiste is voldaan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt dat het oordeel van het Hof onjuist is. De plaats waar het verlof wordt doorgebracht is niet relevant voor het driemaandenvereiste. Wel moet er evenredigheid zijn tussen gewerkte dagen en verlof. De administratieve toerekening van verlofdagen aan landen is niet bepalend. De faciliteit geldt voor arbeid in niet-verdragslanden met fictieve belastingonderworpenheid, inclusief de aan die arbeid gerelateerde verlofperioden. Het beroep in cassatie is gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en het arrest van het Hof vernietigd; verlof binnen de driemaandenperiode telt mee voor de fictieve belastingonderworpenheid.