ECLI:NL:PHR:2011:BP1527
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid teruggaafverzoek dividendbelasting na termijnoverschrijding
De zaak betreft een in Schotland gevestigd pensioenfonds dat in 2007 restitutie vroeg van in 2002 ingehouden Nederlandse dividendbelasting. De Inspecteur verklaarde het verzoek voor 2002 niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke driejaarstermijn voor teruggaaf. De belanghebbende stelde dat deze termijn in strijd was met het EU-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en gelijkwaardigheidsbeginsel, omdat hij werd benadeeld ten opzichte van binnenlandse pensioenfondsen die ambtshalve teruggaaf kregen.
De Rechtbank Breda verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en oordeelde dat de termijn van drie jaar redelijk en voorzienbaar was, en dat de belanghebbende niet was misleid of gehinderd om tijdig een verzoek in te dienen. De belanghebbende stelde cassatie in bij de Hoge Raad met twee middelen: schending van het vrije kapitaalverkeer en het doeltreffendheidsbeginsel door de termijn, en schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel door het ambtshalve teruggaafbeleid.
De Procureur-Generaal concludeert dat de belanghebbende te laat is en dat het doeltreffendheidsbeginsel niet leidt tot verlenging van de termijn. Ook is er geen sprake van onrechtmatige discriminatie, omdat binnenlandse fondsen evenmin ambtshalve teruggaaf krijgen voor inhoudingen die onherroepelijk vaststaan vóór nieuwe jurisprudentie. Het EU-recht vereist geen openstelling van bezwaar- en beroepsprocedures tegen beslissingen op ambtshalve verzoeken. De Hoge Raad wordt geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting over 2002 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.