ECLI:NL:PHR:2012:BV1420
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Dividendbelastingteruggave en heffingsrente bij buitenlandse moedervennootschap op grond van EU-recht
De zaak betreft een in Spanje gevestigde kapitaalvennootschap die deelnemingen heeft in een Nederlandse vennootschap en over de jaren 2003 tot en met 2005 dividendbelasting heeft betaald. De belanghebbende verzocht in 2006 om teruggave van deze dividendbelasting en vergoeding van heffingsrente, maar de inspecteur verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank wees het beroep af, maar het hof stelde de belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat het verzoek binnen de termijn was gedaan en dat de inspecteur het verzoek als een verzoek om uitreiking van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting had moeten behandelen. Het hof beval de inspecteur om alsnog de aangiften uit te reiken en nihil-aanslagen met verrekening van dividendbelasting op te leggen, inclusief heffingsrente.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het argument dat de belanghebbende niet vennootschapsbelastingplichtig was en daarom niet in aanmerking kwam voor de formele procedures die het hof toepaste. De Hoge Raad oordeelde dat het EU-rechtelijke equivalentie- en effectiviteitsbeginsel vereisen dat de belanghebbende formeelrechtelijk dezelfde mogelijkheden moet krijgen als een vergelijkbare binnenlandse belastingplichtige, ongeacht de nationale formele belemmeringen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en dat van de belanghebbende gegrond, en bevestigde het recht op teruggave en heffingsrente.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt teruggave van dividendbelasting over 2003-2005 en vergoeding van heffingsrente conform EU-rechtelijke beginselen.