ECLI:NL:PHR:2011:BN9969
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid assurantiekantoor voor fraude hypotheekadviseur en schijn van volmacht
In deze zaak staat de vraag centraal of een assurantiekantoor aansprakelijk kan worden gehouden voor fraude gepleegd door een hypotheekadviseur die geen geldige volmacht had, op grond van kwalitatieve aansprakelijkheid volgens art. 6:172 BW Pro en de schijn van volmacht volgens art. 3:61 lid 2 BW Pro.
De hypotheekadviseur verduisterde geld dat bedoeld was voor een depot, terwijl de cliënten van het assurantiekantoor aannamen dat het geld veilig zou worden beheerd. De rechtbank en het hof oordeelden dat het assurantiekantoor aansprakelijk was op grond van art. 6:172 BW Pro, mede vanwege de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.
De Hoge Raad stelt echter dat art. 6:172 BW Pro slechts aansprakelijkheid kan opleggen indien de vertegenwoordiger handelde binnen de hem als zodanig toekomende bevoegdheden. De schijn van volmacht kan niet worden toegerekend indien de derde redelijkerwijs niet mocht aannemen dat de vertegenwoordiger bevoegd was, en indien de schijn niet door het assurantiekantoor is gewekt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte aansprakelijkheid heeft aangenomen, omdat de cliënten redelijkerwijs niet mochten vertrouwen op de bevoegdheid van de hypotheekadviseur en het assurantiekantoor deze schijn niet heeft gewekt. Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.