ECLI:NL:PHR:2011:BN8042
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vakantieritten met familie tegen vergoeding als taxivervoer gelden voor BPM-teruggaaf
Belanghebbende, een taxionderneming, had voor drie personenauto's BPM-teruggaaf gevraagd omdat deze nagenoeg geheel voor taxivervoer werden gebruikt. Twee auto's werden ingezet voor vakantieritten naar Spanje met familieleden, waarbij een zakelijke vergoeding werd betaald. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op, stellende dat deze vakantieritten geen taxivervoer waren.
De Rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de naheffingsaanslag niet kon worden opgelegd vanwege procedurele gronden. Het Hof stelde echter vast dat de verzoeken om teruggaaf wel degelijk ingevolge de belastingwet waren gedaan en dat de ritten naar Spanje als taxiritten moesten worden aangemerkt, omdat personen tegen betaling werden vervoerd en de ritten vergunningplichtig waren volgens de Wet personenvervoer 2000.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000 ruim wordt gedefinieerd als personenvervoer tegen betaling. Ook al vonden de ritten plaats in de particuliere sfeer, de zakelijke vergoeding die de kosten van de auto oversteeg, maakt dat het vervoer als taxivervoer moet worden aangemerkt. De uitzondering voor carpooling geldt alleen indien de vergoeding niet hoger is dan de kostprijs. De naheffingsaanslag werd daarmee terecht opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat vakantieritten met familie tegen vergoeding als taxivervoer gelden, waardoor de naheffingsaanslag BPM terecht is opgelegd.