ECLI:NL:PHR:2011:BN2297
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid OM wegens niet-kenbaar maken strafrechtelijk financieel onderzoek
In deze zaak stond centraal of het verzuim van de officier van justitie om bij het requisitoir kenbaar te maken dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) was ingesteld, moest leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) in de ontnemingsvordering of tot bewijsuitsluiting. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarna cassatie werd ingesteld tegen het oordeel dat het verzuim geen gevolgen behoefde te hebben.
De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting om het instellen van een SFO kenbaar te maken niet gelijkgesteld kan worden met de verplichting om het voornemen tot ontnemingsvordering kenbaar te maken. Het doel van de laatste is rechtszekerheid, terwijl de mededeling van een SFO de verdachte in staat stelt zich te verdedigen binnen dat onderzoek. Het verzuim leidt niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid; de rechter moet beoordelen of en in welke mate de verdachte door het verzuim in zijn belangen is geschaad.
In deze zaak was de verdachte al redelijkerwijs op de hoogte van het SFO door eerdere conservatoire beslagen en mededelingen. Bovendien was hij ruim voor de sluiting van het SFO geïnformeerd, waardoor hij gelegenheid had zijn raadsman te raadplegen. Het hof oordeelde daarom terecht dat het verzuim niet tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting leidde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verweer faalt omdat niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat de belangen van de verdachte concreet zijn geschaad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het verzuim leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM.