ECLI:NL:PHR:2010:BO5216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting verjaring vordering onverschuldigde betaling na nietigverklaring overeenkomst
In deze zaak gaat het om de vraag of de verjaring van een vordering uit onverschuldigde betaling door een eerdere procedure tot nietigverklaring van een overeenkomst is gestuit. [Eiser] had een perceel gekocht en bouwplannen ontwikkeld, maar de overeenkomst met de gemeente werd nietig verklaard. Vervolgens vorderde hij vergoeding van verrichte prestaties, maar de gemeente stelde verjaring tegen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de eerdere procedure tot nietigverklaring niet de verjaring stuitte omdat de vorderingen op verschillende juridische en feitelijke grondslagen berusten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat stuiting van verjaring vereist dat de eerdere procedure ondubbelzinnig een mededeling bevat dat de schuldeiser zich het recht op vergoeding voorbehoudt.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de jurisprudentie over de vereisten voor stuiting van verjaring, waaronder het belang van dezelfde juridische en feitelijke grondslag en het moment waarop de verjaring aanvangt. Het hof mocht oordelen dat de eerdere procedure niet was gericht op schadevergoeding en dat de latere vordering verjaard is. Het beroep van [eiser] wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard omdat de eerdere procedure tot nietigverklaring de verjaring niet heeft gestuit.