ECLI:NL:PHR:2010:BO0199
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of toezegging aan werknemer een VUT-uitkering of prepensioen betreft
In deze zaak staat centraal de vraag of een aan een werknemer, lid van de hoofddirectie van Stichting ABAB, gedane toezegging een VUT-uitkering dan wel een prepensioen betreft. De werknemer trad in 1984 in dienst en werd in 1991 lid van de hoofddirectie. In diverse brieven en notulen werd gesproken over het neerleggen van zijn functie op 60-jarige leeftijd en het toekennen van pensioenrechten vanaf die leeftijd, waarbij onduidelijkheid bestond over de aard van de regeling.
De werknemer vorderde bij de kantonrechter een verklaring voor recht dat hem een pensioen en prepensioen toekwam, met een vervroegd prepensioen vanaf 60 jaar tegen een percentage van het laatstverdiende salaris. ABAB stelde dat het ging om een VUT-achtige regeling, waarbij aanspraken vervielen bij voortijdige beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter wees de vordering af, maar het hof oordeelde anders en stelde vast dat sprake was van een prepensioenregeling, waarbij ABAB gehouden was de toezegging na te komen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de toezegging als prepensioen moet worden gekwalificeerd. Daarbij is van belang dat de werknemer redelijkerwijs mocht aannemen dat hij op 60-jarige leeftijd recht had op prepensioen, mede gelet op het beleid en de communicatie binnen ABAB. De wijze van financiering, waaronder het ontbreken van pensioenpremie, is niet doorslaggevend voor de kwalificatie. Het bewijsaanbod van ABAB werd terecht gepasseerd vanwege onvoldoende stelplicht. De klachten over onduidelijkheid in het dictum en uitvoerbaarheid van het arrest worden verworpen. De conclusie van de advocaat-generaal is verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de werknemer recht heeft op een prepensioenregeling en veroordeelt ABAB tot nakoming van de pensioentoezegging.