ECLI:NL:PHR:2010:BO0184
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over gebruik van de echtelijke woning na echtscheiding en inschrijving in registers
In deze zaak staat het geschil centraal over het gebruik van de echtelijke woning na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw vorderde het exclusieve gebruik van de woning tot zes maanden na inschrijving, terwijl de man het huurderschap van de woning wilde verkrijgen vanaf de dag van inschrijving.
De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af en kende het huurderschap toe aan de man. Het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de vrouw onvoldoende belang had bij voortgezet gebruik, mede omdat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking door het lopende cassatieberoep nog op zich liet wachten, waardoor de vrouw ruim de tijd had om een nieuwe woning te zoeken.
De vrouw stelde twee middelen in cassatie aan: ten eerste dat het hof haar belang ten onrechte onvoldoende had erkend, en ten tweede dat het hof onvoldoende gemotiveerd had beslist over het huurderschap van de man. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van de vrouw inmiddels was komen te vervallen omdat de termijn van zes maanden na inschrijving was verstreken en dat de uitleg van het hof over het verzoek van de vrouw begrijpelijk was. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning afgewezen.