ECLI:NL:PHR:2010:BM9410
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijs en kennis rijbewijsopschorting volgens art. 131 lid 3a WVW 1994
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het besturen van een voertuig terwijl zijn rijbewijs volgens artikel 131, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 was geschorst. Het hof had geoordeeld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de schorsing, mede gebaseerd op het feit dat het schorsingsbesluit aangetekend was verzonden en niet retour was gekomen, en op een verklaring van verdachte over een politie-medewerkster die hem vertelde een nieuw rijbewijs aan te vragen.
De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte de brief had ontvangen en dat hij niet wist van de schorsing. De Procureur-Generaal stelde in zijn conclusie dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk was, mede omdat verdachte sinds juni 2006 zonder vaste woon- of verblijfplaats stond geregistreerd, waardoor het bewijs dat de aangetekende brief was aangekomen onvoldoende was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, voor een nieuwe beoordeling van de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de schorsing van zijn rijbewijs. De conclusie benadrukt dat het enkele feit dat een aangetekende brief niet retour is gekomen niet automatisch betekent dat de geadresseerde deze heeft ontvangen.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de kennis van de rijbewijsopschorting.