ECLI:NL:PHR:2010:BM9241
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking aftrek vooruitbetaalde onderhoudskosten onroerende zaken in jaar van betaling
De zaak betreft de fiscale vraag of vooruitbetaalde onderhoudskosten voor een onroerende zaak in het jaar van betaling aftrekbaar zijn, wanneer het onderhoud pas in het volgende kalenderjaar wordt uitgevoerd. Belanghebbende, eigenaar van een verhuurd pand, had in 2000 materialen betaald die pas in 2001 werden verwerkt. De Inspecteur weigerde deze kosten in 2000 aftrekbaar te achten op grond van artikel 38, lid 8, Wet IB 1964, dat aftrek van vooruitbetaalde onderhoudskosten beperkt.
Het Hof stelde dat 'vooruitbetaling' moet worden opgevat als betaling voor onderhoud dat ten tijde van de betaling nog niet was voltooid, en oordeelde dat de kosten niet aftrekbaar waren. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof een te ruime uitleg gaf en niet de hoofdregel van artikel 38, lid 1 toepaste.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de betaling in overeenstemming met de aannemingsovereenkomst een termijnbetaling was die past binnen de gebruikelijke praktijk, en dus niet als vooruitbetaling in de zin van artikel 38, lid 8 moet worden gezien. Bovendien behoren de kosten van materialen tot het geheel van onderhoudswerkzaamheden en zijn deze kosten daarom aftrekbaar in het jaar van betaling. De conclusie is dat het beroep in cassatie gegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De aftrek van vooruitbetaalde onderhoudskosten in 2000 is toegestaan indien de betaling een gebruikelijke termijnbetaling betreft en de kosten betrekking hebben op onderhoud dat voor 1 januari van het volgende jaar is uitgevoerd.