ECLI:NL:PHR:2010:BM9088
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurrechtelijke gevolgen van opzegging door vorige huurder na contractsovername
In deze zaak gaat het om een huurovereenkomst van bedrijfsruimte, bestemd als kantoorruimte, die door de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost werd gesloten met eiser c.s. De huurovereenkomst had een looptijd van vijf jaar met een stilzwijgende verlenging van vijf jaar indien niet tijdig schriftelijk opgezegd. Na een contractsovername trad de Rijksgebouwendienst (Rgd.) in de plaats van de Regiopolitie als huurder.
In augustus 2005 stuurde de Regiopolitie een opzeggingsbrief aan eiser c.s., terwijl formeel de Rgd. de huurder was. Het geschil betrof de vraag of deze opzeggingshandeling als een geldige opzegging door de Rgd. moest worden beschouwd. Het hof oordeelde dat gezien de omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid eiser c.s. de opzeggingshandeling alleen konden begrijpen als mede afkomstig van de Rgd., en dat de opzegging dus toerekenbaar was aan de Rgd.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat bij de uitleg van wilsverklaringen alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden meegewogen, met name de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad verwerpt de klachten van eiser c.s. en concludeert dat de huurovereenkomst niet tijdig is opgezegd en derhalve met vijf jaar is verlengd tot 1 september 2011.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de huurovereenkomst met vijf jaar is verlengd wegens niet tijdige opzegging door de formele huurder.