ECLI:NL:PHR:2010:BM8040

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00323
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 lid 1 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling bij verstek ondanks afwezigheid raadsvrouw

Verdachte werd op 12 oktober 2007 door het Gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld. Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld door mr. J.M. Lintz. Een faxbericht van de raadsvrouw van verdachte, gedateerd 16 augustus 2007, toonde aan dat zij bekend was met datum en tijd van de terechtzitting in hoger beroep en verzocht om toezending van alle stukken.

Het hof zag geen reden de behandeling aan te houden vanwege de afwezigheid van de raadsvrouw, aangezien zij op de hoogte was van de zittingstijd en pas op de dag van de zitting een afschrift van de dagvaarding ontving. De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat het hof had moeten aanhouden faalde.

De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve de bestreden uitspraak te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. De zaak werd afgedaan met de motivering zoals bedoeld in art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de verstekveroordeling bleef gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 09/00323
Mr. Vellinga
Zitting: 8 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is op 12 oktober 2007 door het Gerechtshof te Amsterdam bij verstek veroordeeld tot de straf als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Tot de aan de Hoge Raad op voet van art. 434 lid 1 Sv Pro toegezonden gedingstukken behoort een faxbericht van de raadsvrouw van verdachte gericht aan de strafgriffie van het Gerechtshof te Amsterdam, gedateerd 16 augustus 2007, waarin zij zich onder vermelding van datum en tijd van de terechtzitting in hoger beroep, en onder vermelding van onder meer het parketnummer van de onderhavige zaak, als raadsvrouw van de verdachte stelt en daarnaast verzoekt om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Voorts is op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep aangetekend dat een afschrift aan de raadsvrouw is verstrekt op '12/10'.
4. Gelet op de uit genoemd faxbericht blijkende bekendheid van de raadsvrouw met het tijdstip van de behandeling van de zaak in hoger beroep, behoefde het Hof - anders dan het middel wil - in de afwezigheid van de raadsvrouw ter terechtzitting geen aanleiding te zien de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen alsnog de verdediging te voeren.(1) Dat een afschrift van de dagvaarding kennelijk eerst op de dag van de terechtzitting aan de raadsvrouw is verstrekt doet aan haar uit het schrijven van 16 augustus 2007 blijkende bekendheid met dag en uur van de terechtzitting niet af.
5. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
6. Het tweede middel faalt, gelet op HR 3 juli 2007, LJN BA3128.(2)
7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 8 september 1998, NJ 1998, 905 en HR 9 december 2003, LJN AM0201, NJ 2004, 133.
2 Zie ook HR 4 december 2007, LJN BB7122.