ECLI:NL:PHR:2010:BM6681
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Levering en maatstaf van heffing bij verbouwing woon-winkelpand tot kinderdagverblijf
Belanghebbende exploiteert een kinderopvangcentrum en kocht een woon-winkelpand dat zij verbouwde tot kinderdagverblijf. De Inspecteur stelde dat de verbouwing een nieuwe onroerende zaak opleverde, waardoor sprake was van een levering in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968, en legde een naheffingsaanslag op.
Het hof oordeelde dat door de ingrijpende verbouwing en functiewijziging een nieuw goed is ontstaan, dat niet eenvoudig kan worden vereenzelvigd met het oorspronkelijke pand. Ook de maatstaf van heffing werd vastgesteld op de kostprijs van het pand, omdat geen vergelijkbare goederen beschikbaar waren.
In cassatie bevestigde de Hoge Raad dat de bepaling in artikel 3-1-h van de Wet in overeenstemming is met de Zesde richtlijn en dat de maatstaf van heffing de werkelijke kosten van vervaardiging omvatten. Tevens werd bevestigd dat het begrip vervaardigen ook het in eigen bedrijf laten vervaardigen onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond, omvat.
De uitspraak benadrukt de doelstelling van de integratieheffing om concurrentieverstoringen te voorkomen tussen ondernemers die goederen zelf vervaardigen en zij die deze kant-en-klaar aankopen. De Hoge Raad wijst ook op de noodzaak om nationale procesregels in acht te nemen bij ambtshalve toepassing van Europees recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het hofarrest dat de naheffingsaanslag bevestigt in stand blijft.