ECLI:NL:PHR:2010:BL8297
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Klachtplicht en protesttermijn bij gebrekkige prestatie van beleggingsadviseur
De zaak betreft een geschil tussen een cliënt en zijn beleggingsadviseur over de vraag of de cliënt tijdig heeft geprotesteerd tegen gebrekkige prestaties van de adviseur, zoals vereist in artikel 6:89 BW Pro. De cliënt had zijn vermogen toevertrouwd aan de bank, maar was ontevreden over het advies en de resultaten. Hij klaagde in 2000 en vroeg om een andere adviseur, maar stelde pas in december 2003 een formele klacht op schrift.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de cliënt niet binnen bekwame tijd had geprotesteerd en daarom geen beroep meer kon doen op de tekortkomingen. De Hoge Raad stelt dat protesteren geen formele eisen kent en dat mondelinge klachten en verzoeken om een andere adviseur als protest kunnen gelden. Voortzetting van de relatie sluit niet uit dat aan de klachtplicht is voldaan.
De Hoge Raad concludeert dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de eerdere klachten niet als protest konden worden aangemerkt. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling. De uitspraak benadrukt het belang van een ruime uitleg van de klachtplicht en de bescherming van schuldeisers tegen gebrekkige prestaties.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling van de klachtplicht.