ECLI:NL:PHR:2010:BL7046
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter om wangedrag mee te wegen bij vaststelling partneralimentatie na echtscheiding
Partijen zijn in 1979 gehuwd en in 2008 gescheiden. Uit het huwelijk is een zoon geboren. De man is veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling van de vrouw in 2007. De vrouw stelde dat het wangedrag van de man haar psychisch heeft beschadigd en dat zij daarom niet tot partneralimentatie verplicht zou zijn.
De rechtbank wees verzoeken van partijen af, maar het hof stelde partneralimentatie vast waarbij rekening werd gehouden met het gedrag van de man. Het hof oordeelde dat het mishandelen niet zodanig ernstig was dat de alimentatieplicht verloren ging. De vrouw kwam in cassatie tegen deze beslissing.
De Hoge Raad overwoog dat de rechter bij het vaststellen van alimentatie rekening kan houden met (wan)gedrag, maar dat het oordeel van het hof over de ernst van het gedrag een feitelijke beoordeling is die in cassatie niet kan worden getoetst. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de feiten die aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen onvoldoende reden geven tot matiging van de alimentatie.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de berekening van de behoefte en draagkracht van partijen, bevestigde het gebruik van de 60%-regel als hulpmiddel en oordeelde over de weging van lasten zoals levensloopregeling en hypotheekaflossing. De vrouw kon niet aantonen dat het hof onjuist had geoordeeld over haar draagkracht.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep verworpen moet worden, waarmee de beschikking van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat mishandeling niet leidt tot matiging van partneralimentatie.