ECLI:NL:PHR:2010:BL5444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsmiddelenverbod bij ontbinding arbeidsovereenkomst en discretionaire vergoeding
In deze zaak heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerster ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie zonder toekenning van een vergoeding. Verzoekster stelde dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 7:685 lid 11 BW Pro onterecht werd toegepast en dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding toekende.
Het hof verwierp het hoger beroep van verzoekster met het oordeel dat de aangevoerde gronden niet leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat motiveringsklachten geen grond vormen voor doorbreking van het verbod. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter om een vergoeding toe te kennen bij ontbinding niet onjuist is toegepast.
Verzoekster had ook aangevoerd dat de kantonrechter onjuist had geoordeeld over haar arbeidsongeschiktheid en re-integratieverplichtingen, maar deze klachten werden eveneens verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding blijft in stand.