ECLI:NL:PHR:2010:BL1069
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat WIK-uitkering niet kwalificeert als winst uit onderneming maar als loon uit vroegere arbeid
Belanghebbende, een beroepsmatig werkzame musicienne en kunstenaar, ontving in 2004 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK). Zij rekende deze uitkering tot haar winst uit onderneming en vroeg om toepassing van de arbeidskorting. De Inspecteur kwalificeerde de uitkering als loon uit vroegere arbeid, waardoor de arbeidskorting niet werd toegepast op het volledige bedrag.
De Rechtbank en het Hof bevestigden deze kwalificatie, waarbij het Hof oordeelde dat de WIK-uitkering geen zakelijk verband heeft met de onderneming van de kunstenaar en derhalve niet tot de winst uit onderneming kan worden gerekend. Ook het argument dat de WIK een stimuleringsmaatregel is en geen bijstandsuitkering, werd verworpen.
De Hoge Raad overwoog dat de WIK-uitkering een algemene inkomensvoorziening is die bedoeld is om kunstenaars in een bijzondere positie te ondersteunen, los van de feitelijke werkzaamheden. De uitkering is gekoppeld aan het kunstenaarschap, maar niet aan de werkzaamheden zelf, en dient ter voorziening in het levensonderhoud. De jurisprudentie omtrent startstipendia, die wel als winst uit onderneming kunnen gelden, is niet van toepassing op de WIK-uitkering.
De Hoge Raad bevestigt dat de uitkering fiscaal als loon uit vroegere arbeid moet worden aangemerkt en niet als winst uit onderneming, waardoor de arbeidskorting niet op het volledige bedrag van toepassing is. De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de WIK-uitkering niet als winst uit onderneming maar als loon uit vroegere arbeid moet worden gekwalificeerd.