AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Arbeidskorting en doorwerkbonus bij winst uit medegerechtigdheid ondernemingsvermogen
Belanghebbende had voor het jaar 2009 aanslag IB/PVV ontvangen waarbij filminvesteringsaftrek en een negatief resultaat uit een scheepvaart CV waren verwerkt. De vraag was of deze winstbestanddelen tot de arbeidskortingsgrondslag behoren, hetgeen vereist dat de winst met tegenwoordige arbeid wordt genoten.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat winst uit medegerechtigdheid, zoals bij belanghebbende, niet met tegenwoordige arbeid wordt verkregen en daarom niet tot de arbeidskortingsgrondslag behoort. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat winst uit onderneming altijd met tegenwoordige arbeid wordt verkregen, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt.
De Hoge Raad benadrukte dat de arbeidskorting bedoeld is om betaald werk te stimuleren en dat alleen winst uit onderneming die met tegenwoordige arbeid is verkregen, daarvoor in aanmerking komt. Medegerechtigden die vooral kapitaal inbrengen en geen arbeid verrichten, vallen hier niet onder. Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat winst uit medegerechtigdheid, ook als deze fiscaal als winst uit onderneming wordt aangemerkt, niet automatisch tot de arbeidskortingsgrondslag behoort als er geen tegenwoordige arbeid is verricht. Dit voorkomt dat beleggers zonder arbeid aanspraak maken op arbeidskorting en doorwerkbonus.
Uitkomst: De winst uit medegerechtigdheid tot ondernemingsvermogen behoort niet tot de arbeidskortingsgrondslag omdat deze niet met tegenwoordige arbeid is verkregen.
Voetnoten
1.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
4.Wet van 23 december 2009, Stb. 2009, 611.
5.Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 10, 23 en 284, MvT.
6.Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, p. 92, MvT.
7.Kamerstukken II, 2009/2010, 32 130, nr. 3, p. 22 en 57, MvT
8.Compilatie vragen en antwoorden over het nieuwe belastingstelsel, Besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313, Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2985 en Besluit van 13 februari 2001, nr. CPP2000/3210, V-N 2001/14.2.
9.Vragen en antwoorden Wet IB 2001, Besluit van 30 november 2001, nr. 2001/3035, V-N 2001/65.2.
11.HR 4 juni 2010, nr. 09/02523, ECLI:NL:HR:2010:BL1069, na conclusie A-G Van Ballegooijen, BNB 2010/1673 m. nt. R.F.C. Spek, NTFR 2010/1673 met commentaar G.J.W. Kinnegim. 12.A.J. van Lint in R.E.C.M. Niessen e.a., De Wet inkomstenbelasting, Den Haag: SDU uitgevers 2013, blz. 101 en 110.
13.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, aantekening 1.4 Doel en strekking bij: Wet inkomstenbelasting 2001, Artikel 8.11, Deventer: Kluwer (online).
14.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, aantekening 6.1 Tegenwoordige arbeid bij: Wet inkomstenbelasting 2001, Artikel 8.1 Wet inkomstenbelasting 2001, Deventer: Kluwer (online).
15.E.J.W. Heithuis, P. Kavelaars en B.F. Schuver, Inkomstenbelasting fed fiscale studieserie nr. 35, Deventer: Kluwer 2012, blz. 82 en 83.
16.M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), IB 3.2.1.A Algemeen.
17.M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), IB 3.2.2.B.d1 Algemeen.
18.M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), IB 3.2.3.C.b1 Algemeen.
19.Zie onder 4.5.
20.Zie onder 4.8.
21.Zie onder 4.1.
22.Zie onder 4.2.