ECLI:NL:PHR:2010:BK1513
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belang bij hoger beroep tegen primitieve aanslag ondanks onherroepelijke navorderingsaanslag
In deze zaak staat centraal of belanghebbende nog belang heeft bij het voortzetten van een hoger beroepsprocedure tegen een primitieve aanslag inkomstenbelasting, nadat een navorderingsaanslag over hetzelfde jaar onherroepelijk is geworden.
Belanghebbende, ondernemer met twee handelsnamen, had bezwaar gemaakt tegen een aanslag en een navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag werd onherroepelijk nadat belanghebbende geen beroep instelde tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank en het hof verklaarden het beroep tegen de primitieve aanslag ongegrond. Het hof oordeelde dat belanghebbende geen belang meer had bij het hoger beroep omdat de navorderingsaanslag onherroepelijk was.
De Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. Elke aanslag moet afzonderlijk worden beoordeeld en het onherroepelijk worden van een navorderingsaanslag sluit niet uit dat belanghebbende belang heeft bij een beroep tegen de primitieve aanslag. Dit belang kan ook liggen in een mogelijke ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag.
De Hoge Raad bevestigt dat het hoger beroep niet tot een gunstiger resultaat kan leiden, maar dat betekent niet dat belanghebbende geen belang heeft bij het beroep. De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard. De zaak benadrukt het zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van juiste voorlichting door de inspecteur over het indienen van klachten tegen navorderingsaanslagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; het belang bij hoger beroep tegen de primitieve aanslag blijft bestaan ondanks onherroepelijke navorderingsaanslag.