ECLI:NL:PHR:2010:BJ9080
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over fiscale kwalificatie en aftrekbaarheid van earn-outregeling bij verkoop deelneming
Belanghebbende, een houdstermaatschappij, verkocht in 1998 een belang van 35% in Beleggingsmaatschappij A B.V. aan B Beheer B.V. voor fl. 14.000.000, waarvan fl. 3.500.000 als achtergestelde lening bleef uitstaan. Daarnaast had belanghebbende onder voorwaarden recht op een aanvullende betaling (earn-out) afhankelijk van toekomstige resultaten van B of A, vastgelegd in contractbepalingen 7 en 8k. Belanghebbende nam deze earn-outvordering in haar fiscale aangifte 1999 op onder de deelnemingsvrijstelling, maar bracht deze in 2001 ten laste van het resultaat, hetgeen de inspecteur niet accepteerde.
De Rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat de bepalingen 7 en 8k los van elkaar staan en dat de earn-outregeling een recht op toekomstige uitkeringen betreft dat waardeveranderingen kan leiden tot winst of verlies buiten de deelnemingsvrijstelling. Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de earn-outregeling als zodanig kwalificeert, waardoor de afwaardering aftrekbaar is. De Staatssecretaris stelde cassatie in met het middel dat het Hof onjuist het Netwerkorganisatie-arrest HR BNB 2006/7 negeerde, waarin een vergelijkbare regeling onder de deelnemingsvrijstelling valt.
De Advocaat-Generaal concludeert dat indien de earn-outregeling een belang in de waardeontwikkeling van de deelneming inhoudt, de afwaardering onder de deelnemingsvrijstelling valt en dus niet aftrekbaar is. Indien het recht echter winstafhankelijk is, blijft de schattingsjurisprudentie van toepassing en is de afwaardering aftrekbaar. Omdat onvoldoende duidelijk is of contractbepaling 8k een waarde- of winstafhankelijk recht betreft, dient de zaak te worden terugverwezen voor nadere feitenvaststelling. Het incidentele beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide analyse van de jurisprudentie over earn-outregelingen, balansgaranties en de deelnemingsvrijstelling, waarbij wordt benadrukt dat het Netwerkorganisatie-arrest de schattingsjurisprudentie niet volledig heeft achterhaald. De fiscale behandeling hangt af van de aard van het recht: rechten die direct samenhangen met de waardeontwikkeling van de deelneming vallen onder de deelnemingsvrijstelling, andere rechten niet.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak terug voor nadere feitenvaststelling over de aard van de earn-outregeling en de fiscale aftrekbaarheid van de afwaardering.