ECLI:NL:PHR:2010:BJ7958
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Exploitatie windturbine kwalificeren als winst uit onderneming of privévermogen
Belanghebbende exploiteert een windturbine binnen een agrarisch bedrijf en stelt dat de opbrengsten uit de turbine als inkomsten uit vermogen moeten worden aangemerkt. De Inspecteur kwalificeert deze opbrengsten als winst uit onderneming en corrigeert de afschrijving. De Rechtbank en het Hof verklaren het beroep van belanghebbende gegrond en verminderen het belastbaar inkomen.
De kern van het geschil betreft de fiscale kwalificatie van de exploitatie van de windturbine: winst uit onderneming of inkomsten uit vermogen. De Hoge Raad overweegt dat de exploitatie van de windturbine kan worden vergeleken met de exploitatie van een onroerende zaak en dat de vraag of er sprake is van een onderneming afhangt van de aard en omvang van de arbeid die wordt verricht, in vergelijking met normaal vermogensbeheer.
Hoewel de omvang van de arbeid bescheiden is, is dit niet doorslaggevend. De windturbine produceert elektriciteit die op de markt wordt gebracht, waarbij belanghebbende aanzienlijke risico's draagt, zoals onzekerheid over windaanbod, onderhoudskosten en economische levensduur. Dit brengt mee dat de exploitatie als een onderneming moet worden gekwalificeerd en de windturbine tot het ondernemingsvermogen behoort.
De middelen van belanghebbende om de kwalificatie als privévermogen te bepleiten worden verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de exploitatie van de windturbine als onderneming moet worden aangemerkt en dat de windturbine tot het ondernemingsvermogen behoort.