ECLI:NL:PHR:2010:BH0561
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing extra dotatie oudedagsreserve bij geruisloze terugkeer uit BV inclusief oprenting lijfrenteverplichting
Belanghebbende bracht zijn onderneming fiscaal geruisloos in een BV in, waarbij een FOR-lijfrenteverplichting werd gevormd. Bij geruisloze terugkeer uit de BV stelde belanghebbende dat ook de tussentijdse waardeaangroei (oprenting) van deze lijfrenteverplichting in aanmerking moest worden genomen voor een extra dotatie aan de oudedagsreserve op grond van artikel 3.69 Wet IB 2001.
De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk, maar het hof vernietigde deze uitspraak en bevestigde het standpunt van de inspecteur dat de oprenting niet tot een extra dotatie leidt. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad concludeert dat de wettekst geen beperking bevat die de extra dotatie uitsluit voor de oprenting, maar het systeem en de strekking van de wet wel maken dat de oprenting niet tot een extra dotatie kan leiden. Dit voorkomt een ongerechtvaardigd voordeel ten opzichte van ondernemers die hun onderneming niet in een BV hebben ingebracht. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond voor een volledige proceskostenvergoeding.
De conclusie is dat het beroep in cassatie gegrond wordt verklaard, waarmee het hofarrest wordt bevestigd en de extra dotatie niet wordt toegekend voor de oprenting van de FOR-lijfrenteverplichting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de extra dotatie aan de oudedagsreserve zich niet uitstrekt tot de oprenting van de FOR-lijfrenteverplichting.