ECLI:NL:PHR:2010:BF2224
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanvang terbeschikkingstelling van een pand aan eigen bv in de inkomstenbelasting
Belanghebbende en zijn echtgenote kochten in 2001 gezamenlijk een pand met de bedoeling dit na verbouwing te verhuren aan een bv waarin zij een aanmerkelijk belang houden. In 2002 werd de verbouwing stilgelegd en het pand niet gebruikt door de bv. Belanghebbende bracht in zijn aangifte kosten in aftrek als resultaat uit overige werkzaamheden.
Het Hof oordeelde dat de jurisprudentie omtrent eerste ondernemingshandeling doorgetrokken moest worden naar resultaatgenieters en dat het pand vanaf aankoop in de sfeer van terbeschikkingstelling viel, waardoor aftrek van kosten mogelijk was. De staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat terbeschikkingstelling pas aanvangt bij feitelijke terbeschikkingstelling.
De A-G concludeert dat het begrip werkzaamheid in art. 3.92 Wet IB 2001 een specifieke regeling is die niet zonder meer de ondernemersjurisprudentie volgt. Van terbeschikkingstelling is sprake zodra het genot van het vermogensbestanddeel daadwerkelijk aan de bv toekomt of er een afdwingbare afspraak is. Voorbereidingshandelingen en intenties zijn onvoldoende.
De Hoge Raad volgt deze conclusie, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het oordeel van het Hof dat het pand vanaf aankoop tot terbeschikkingstelling behoorde. De zaak kan worden afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en oordeelt dat terbeschikkingstelling pas aanvangt bij daadwerkelijke terbeschikkingstelling, niet bij voorbereidingshandelingen.