ECLI:NL:PHR:2010:BF0399
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking van het recht op aftrek van voorbelasting bij omzetbelasting en het verbod van ultra petita
Belanghebbende, een ondernemer die managementdiensten verricht en leningen verstrekt aan deelnemingen, bracht in 2004 geen voorbelasting in aftrek in het tijdvak waarin de belasting werd verschuldigd, maar wilde dit alsnog doen in het vierde kwartaal van 2004. De Inspecteur wees dit verzoek af. De Rechtbank Leeuwarden oordeelde dat financieringshandelingen integraal onderdeel zijn van de hoofdactiviteiten en dat de omzet uit deze handelingen in de pro-rata berekening moet worden betrokken. Het Hof bevestigde dat artikel 12, lid 3, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 niet toestaat om eerder niet in aftrek gebrachte omzetbelasting alsnog in het laatste tijdvak van het boekjaar in aftrek te brengen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden en dat het oordeel strijdig was met het recht, met name de Zesde richtlijn en de uitleg daarvan door het Hof van Justitie van de EG. De Hoge Raad overwoog dat de rechter verplicht is om rechtsgronden aan te vullen en feiten te suppleren, en dat het Hof het geschil ruim had omschreven en binnen die omschrijving bleef. Het eerste middel faalde daarom.
Ten aanzien van het tweede middel stelde de Hoge Raad dat het recht op aftrek van voorbelasting als een plicht moet worden gezien die onmiddellijk moet worden uitgeoefend in het tijdvak waarin de belasting verschuldigd werd. De nationale regeling van herrekening aan het eind van het jaar is in overeenstemming met de Zesde richtlijn. Belanghebbende had de voorbelasting in het tweede kwartaal moeten aftrekken en kon dit niet alsnog in het vierde kwartaal doen. Artikel 18, lid 3, van de Zesde richtlijn is een facultatieve bepaling die lidstaten de mogelijkheid geeft om een regeling te treffen voor latere aftrek, maar verplicht dit niet. Nederland is daarom niet verplicht om achteraf alsnog aftrek toe te staan. Het tweede middel faalde ook.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de beperking van het recht op aftrek van voorbelasting en het belang van de rechtsstrijdbegrenzing in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; het recht op aftrek van voorbelasting kan niet alsnog in het laatste tijdvak van het boekjaar worden uitgeoefend.