ECLI:NL:PHR:2009:BK0949
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Regels omtrent ad informandum gevoegde feiten bij gemachtigde raadsman in strafproces
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld voor overtredingen van artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. Verdachte stelde cassatie in tegen de uitspraak, met name over de bevoegdheid van het hof en het gebruik van zeven ad informandum gevoegde feiten bij de strafoplegging.
De Hoge Raad bevestigt dat een gemachtigde raadsman niet optreedt als vertegenwoordiger van verdachte in bewijsrechtelijke zin en diens verklaringen niet als die van verdachte kunnen gelden. Daarom mogen ad informandum gevoegde feiten alleen worden meegewogen als verdachte zelf deze erkent of als aannemelijk is dat hij ze heeft begaan, bijvoorbeeld via buitengerechtelijke erkenningen.
Het hof had bij de strafoplegging rekening gehouden met zeven ad informandum gevoegde feiten die niet door de raadsman waren erkend, maar verdachte had deze feiten eerder erkend tegenover opsporingsambtenaren. De Hoge Raad stelt dat dit toereikend is om deze feiten mee te wegen, tenzij de raadsman ter terechtzitting bezwaar maakt, wat hier niet het geval was.
Verder werd geklaagd over een kennelijke vergissing in de datum die het hof noemde bij de strafoplegging, maar de Hoge Raad acht dit onvoldoende reden voor cassatie. Beide middelen van cassatie falen en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.