ECLI:NL:PHR:2009:BK0863
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gedwongen ontheffing ouderlijk gezag moeder over zoon wegens langdurige uithuisplaatsing en gedragsproblematiek
In deze zaak heeft de Raad voor de Kinderbescherming bij verzoekschrift de moeder gevraagd te worden ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon, die sinds mei 2003 uit huis is geplaatst en onder toezicht staat. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek toegewezen en het hof te 's-Gravenhage heeft dit bevestigd, stellende dat de wettelijke gronden voor ontheffing aanwezig zijn op grond van art. 1:268 lid 2 onder Pro a BW juncto art. 1:254 BW Pro.
Het hof baseerde zich op een rapport van de raad en het verhandelde ter terechtzitting, waarin werd vastgesteld dat de zoon door zijn eigen problematiek langdurig meer zorg nodig heeft dan een gemiddelde opvoeder kan bieden. De moeder heeft geen inzicht in deze problematiek en is onvoldoende in staat tot constructieve samenwerking met hulpverlening. Gezien het langdurige verblijf in het pleeggezin en de ernstige gedragsproblematiek is terugplaatsing geen reëel perspectief.
De moeder verzette zich tegen de uithuisplaatsing, maar het hof oordeelde dat het belang van de zoon aan duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie voorrang heeft boven het belang van de moeder. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep geen gegronde rechtsvragen oplevert en verwerpt het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder tegen de ontheffing van het ouderlijk gezag wordt verworpen.