ECLI:NL:PHR:2009:BJ8380

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00390/07
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 588 SvArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekveroordeling wegens onjuiste betekening dagvaarding in hoger beroep niet rechtsgeldig

In deze zaak stond verdachte sinds 23 mei 2005 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op een bekend adres. De appeldagvaarding werd echter niet op dat adres betekend, maar aan de griffier van de rechtbank omdat men dacht dat verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland had. Dit leidde tot een verstekveroordeling door het hof.

De Hoge Raad stelde vast dat de dagvaarding niet overeenkomstig artikel 588 Sv Pro is betekend, omdat de dagvaarding niet aan het in de GBA geregistreerde adres is aangeboden. Hierdoor is de dagvaarding nietig en is de verstekveroordeling onjuist. De Hoge Raad benadrukt dat wanneer een verdachte in de GBA staat ingeschreven, de dagvaarding aan dat adres moet worden betekend.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en constateerde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar dat gezien de opgelegde straf dit niet tot verdere gevolgen leidde. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het beroep moet worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verstekveroordeling ondanks ongeldige betekening dagvaarding.

Conclusie

Nr. 00390/07
Mr. Machielse
Zitting 22 september 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 26 augustus 2005 bij verstek voor 1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en 2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren. Voorts heeft het hof voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
2. Mr. M. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof verdachte ten onrechte bij verstek heeft veroordeeld. De appeldagvaarding is op 6 juni 2005 betekend aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 20 mei 2005 was geprobeerd de appeldagvaarding uit te reiken aan het laatst bekende adres van verdachte, [a-straat 1] te [woonplaats] - het adres dat in de appelakte was opgegeven - maar daar is niemand aangetroffen. Er is een bericht van aankomst ter plekke achtergelaten en op 30 mei 2005 is de appeldagvaarding teruggestuurd aan de afzender. De griffie heeft uit een GBA-overzicht van 6 juni 2005 klaarblijkelijk afgeleid dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op een kopie van de appeldagvaarding is evenwel toch met de hand de aantekening geplaatst dat de dagvaarding als gewone brief is verzonden. Ik ga ervan uit dat die verzending inderdaad heeft plaatsgevonden.
Als bijlage is aan de schriftuur gehecht een uittreksel basisadministratie van de Gemeente Den Haag, gedateerd 23 mei 2007, dus van na het arrest van het hof,(2) en inhoudende dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], sinds 23 mei 2005 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [0000AA] [woonplaats].
3.2. In het kader van de aanzegging van art. 435 lid 1 Sv Pro is een GBA-overzicht verstrekt op 19 april 2007, waaruit inderdaad is op te maken dat verdachte vanaf 23 mei 2005 is ingeschreven op [b-straat 1] te [0000AA] [woonplaats].
3.3. In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad onder 3.16 aangegeven dat wanneer de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven maar wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft , die feitelijke woon- of verblijfplaats als uitgangspunt dient te worden genomen, dat naar dat adres de dagvaarding als gewone brief over de post dient te worden verzonden, maar dat een nadere verificatie van het adres in de GBA achterwege kan blijven. Art. 588 lid 3 onder Pro c Sv brengt de termijn van vijf dagen slechts in verband met een verdachte die op de dag van aanbieding van de dagvaarding in de GBA is ingeschreven, niet in verband met een verdachte die niet is ingeschreven maar van wie wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Dat brengt mij tot de conclusie dat voor de geldigheid van de betekening van de dagvaarding van de verdachte van wie enkel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is alleen de gegevens die bekend zijn op de dag van uitreiking relevant zijn. Als de dagvaarding is aangeboden aan dat adres, als een bericht van aankomst is achtergelaten en als de dagvaarding vervolgens als gewone brief naar dat adres is verstuurd is aan de wettelijke eisen voldaan.
Van verdachte kan voorts worden gevergd dat hij maatregelen neemt om te bereiken dat de appeldagvaarding hem bereikt als zijn in de appelakte opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats wijzigt in een GBA-inschrijving of in een andere feitelijke woon- of verblijfplaats.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve wijs ik er op dat sinds het instellen van het beroep tot de dag van vandaag al bijna 3 jaren zijn verstreken zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden. Gelet op de opgelegde straf zal de Hoge Raad hier kunnen volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.(3)
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00387/07 P in welke zaak ik heden ook concludeer.
2 Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 520 rov. 4.8.
3 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis rov. 3.6.2 onder C.