ECLI:NL:PHR:2009:BJ8377

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00387/07 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding door onjuiste betekening bij onjuiste adresgegevens verdachte

In deze zaak gaat het om de geldigheid van de betekening van een appeldagvaarding aan verdachte. Het hof had bij verstek een maatregel opgelegd, maar de Hoge Raad stelt vast dat de dagvaarding niet is betekend overeenkomstig de wettelijke voorschriften.

De dagvaarding werd aangeboden aan een laatst bekend adres waar niemand werd aangetroffen. Vervolgens werd de dagvaarding aan de griffier van de rechtbank betekend omdat men dacht dat verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland had. Echter, uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) bleek dat verdachte sinds 23 mei 2005 op een ander adres stond ingeschreven. Hierdoor is de betekening niet rechtsgeldig volgens artikel 588 Sv Pro.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij een feitelijke woonplaats zonder inschrijving in de GBA de dagvaarding als gewone brief moet worden verzonden naar dat adres. In dit geval was verdachte echter ingeschreven in de GBA, waardoor de termijn van vijf dagen van toepassing is en de betekening aan het juiste adres had moeten plaatsvinden.

De Hoge Raad concludeert dat het vonnis verstek onjuist is en dat de dagvaarding nietig is. Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, waardoor de betalingsverplichting wordt verlaagd, maar het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend en verlaagt de betalingsverplichting, terwijl het beroep verder wordt verworpen.

Conclusie

Nr. 00387/07 P
Mr. Machielse
Zitting 22 september 2009
Conclusie inzake:
[Betrokkene](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 26 augustus 2005 bij verstek aan verdachte de verplichting opgelegd om ter ontneming van door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 6.735,00.
2. Mr. M. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte bij verstek de maatregel heeft opgelegd. De appeldagvaarding is op 6 juni 2005 betekend aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 20 mei 2005 was geprobeerd de appeldagvaarding uit te reiken aan het laatst bekende adres van verdachte, [a-straat 1] te [woonplaats] - het adres dat in de appelakte was opgegeven - maar daar is niemand aangetroffen. Er is een bericht van aankomst ter plekke achtergelaten en op 30 mei 2005 is de appeldagvaarding teruggestuurd aan de afzender. De griffie heeft uit een GBA-overzicht van 6 juni 2005 klaarblijkelijk afgeleid dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op een kopie van de appeldagvaarding is evenwel toch met de hand de aantekening geplaatst dat de dagvaarding als gewone brief is verzonden. Ik ga ervan uit dat die verzending inderdaad heeft plaatsgevonden.
Als bijlage is aan de schriftuur gehecht een uittreksel basisadministratie van de Gemeente Den Haag, gedateerd 23 mei 2007, dus van na het arrest van het hof,(2) en inhoudende dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], sinds 23 mei 2005 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats].
3.2. In het kader van de aanzegging van art. 435 lid 1 Sv Pro is een GBA-overzicht verstrekt op 19 april 2007, waaruit inderdaad is op te maken dat verdachte vanaf 23 mei 2005 is ingeschreven op [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats].
3.3. In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad onder 3.16 aangegeven dat wanneer de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven maar wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft , die feitelijke woon- of verblijfplaats als uitgangspunt dient te worden genomen, dat naar dat adres de dagvaarding als gewone brief over de post dient te worden verzonden, maar dat een nadere verificatie van het adres in de GBA achterwege kan blijven. Art. 588 lid 3 onder Pro c Sv brengt de termijn van vijf dagen slechts in verband met een verdachte die op de dag van aanbieding van de dagvaarding in de GBA is ingeschreven, niet in verband met een verdachte die niet is ingeschreven maar van wie wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Dat brengt mij tot de conclusie dat voor de geldigheid van de betekening van de dagvaarding van de verdachte van wie enkel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is alleen de gegevens die bekend zijn op de dag van uitreiking relevant zijn. Als de dagvaarding is aangeboden aan dat adres, als een bericht van aankomst is achtergelaten en als de dagvaarding vervolgens als gewone brief naar dat adres is verstuurd is aan de wettelijke eisen voldaan.
Van verdachte kan voorts worden gevergd dat hij maatregelen neemt om te bereiken dat de appeldagvaarding hem bereikt als zijn in de appelakte opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats wijzigt in een GBA-inschrijving of in een andere feitelijke woon- of verblijfplaats.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve wijs ik er op dat sinds het instellen van het beroep tot de dag van vandaag al bijna 3 jaren zijn verstreken zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
In de hoofdzaak leende de opgelegde straf zich niet voor een vermindering wegens schending van de redelijke termijn. Mijns inziens staat dat er niet aan in de weg dat de Hoge Raad wel de opgelegde betalingsverplichting verlaagt.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag zal verlagen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00390/07 in welke zaak ik heden ook concludeer.
2 Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 520 rov. 4.8.