ECLI:NL:PHR:2009:BJ7928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding kosten beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij familierelatie
In deze zaak staat centraal of een belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van kosten van door zijn echtgenote beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij bezwaar tegen aanmaningskosten van €6.
De belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanmaningskosten, waarbij hij zich liet bijstaan door zijn echtgenote die een belastingadviespraktijk voert. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, stellende dat de rechtsbijstand haar grond vond in de familierelatie en daarom niet als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt dat een professionele gemachtigde die optreedt voor een familielid niet per definitie geen derde is en dat beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een familielid niet per se is uitgesloten van vergoeding. Echter, in dit geval is het niet redelijk dat bij een belang van slechts €6 professionele rechtsbijstand wordt ingeschakeld, omdat de kosten daarvan het belang ver te boven gaan. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide analyse van jurisprudentie en literatuur over de definitie van 'derde', 'beroepsmatig verleende rechtsbijstand' en de voorwaarden waaronder proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Daarbij wordt benadrukt dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel moet zijn van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening en dat de kosten daadwerkelijk gemaakt en betaald moeten zijn.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat het niet redelijk is professionele rechtsbijstand in te schakelen bij een belang van slechts €6.