ECLI:NL:PHR:2009:BJ2673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen gedetineerde vader en minderjarige kinderen afgewezen
De vader, die gedetineerd is, verzocht om een omgangsregeling met zijn twee kinderen, waarvan de moeder het eenhoofdig gezag heeft. De rechtbank Rotterdam wees dit verzoek af omdat het in strijd was met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof te 's-Gravenhage bekrachtigde deze beslissing.
De vader stelde cassatieberoep in, waarbij hij onder meer aanvoerde dat het hof onterecht niet had gereageerd op het verweer dat de raadsonderzoeker partijdig zou zijn en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met het fundamentele recht op omgang. Ook stelde hij dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat het rapport van de Raad gedateerd was en dat het enkele feit van detentie onvoldoende grond was om omgang te ontzeggen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechter bevoegd is de Raad voor de Kinderbescherming om advies te vragen, ook als de moeder in eerste aanleg niet is verschenen. Het hof had terecht geoordeeld dat het vaststellen van een omgangsregeling met de oudste minderjarig niet meer relevant was vanwege zijn meerderjarigheid. Het hof had ook voldoende gemotiveerd dat het risico op schade voor het jongste kind zwaarder woog dan het recht op omgang, mede gelet op de detentiesituatie en de wens van het kind zelf.
De klachten van de vader faalden, en het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het verzoek tot omgangsregeling wordt afgewezen wegens zwaarwegende belangen van de kinderen.