ECLI:NL:PHR:2009:BI4725

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11370
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 21 PolitiewetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid vordering benadeelde partij en redelijke termijn in strafzaak geweld tegen politie

De verdachte is door het gerechtshof veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tegen personen en goederen, met een gevangenisstraf van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk. Tevens zijn schadevergoedingsvorderingen van benadeelde partijen toegewezen. In cassatie zijn drie middelen voorgesteld, waaronder een klacht over de ontvankelijkheid van de vordering van het Korps landelijke politiediensten en de hoogte van de straf.

De Hoge Raad stelt dat klachten over ontvankelijkheid die een feitelijke beoordeling vereisen niet in cassatie aan de orde kunnen komen. Verder wordt bevestigd dat de regiopolitie als rechtspersoon wel ontvankelijk is, maar het Korps landelijke politiediensten niet, omdat het onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken valt en niet zelfstandig schade kan vorderen.

Daarnaast wordt ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn van meer dan 24 maanden is overschreden, wat aanleiding geeft tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de strafhoogte betreft en de vordering van het Korps landelijke politiediensten, en verklaart het Korps niet-ontvankelijk. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding redelijke termijn en verklaart het Korps landelijke politiediensten niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Conclusie

Nr. 07/11370
Zitting: 19 mei 2009 (bij vervroeging)
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "openlijk geweld plegen tegen personen en goederen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen tot de bedragen als in het arrest vermeld en voor die bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 07/11370, 07/12573 en 07/12574. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
4. Bij de bespreking van het eerste middel heeft de verdachte geen belang. Ook al zou ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde politiepaarden ingevolge art. 55, tweede lid, Sr het bepaalde in art. 36 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren (Gwd) van toepassing zijn, dan neemt dit niet weg dat het bewezenverklaarde schending van het bepaalde in art. 141 Sr Pro blijft opleveren.
5. Overigens meen ik dat art. 36 Gwd Pro geen specialis vormt van art. 141 Sr Pro. Art. 36 Gwd Pro kent niet als bestanddeel het "in vereniging", terwijl art. 141 Sr Pro niet de gezondheid en het welzijn van dieren maar de openbare orde beoogt te beschermen.
6. Het tweede middel miskent dat een vergoeding van immateriële schade een vergoeding behelst van schade, bestaande in gederfde levensvreugde, en niet valt in te zien dat een politieman door het op hem uitgeoefende geweld geen levensvreugde zou derven omdat hij in zijn opleiding heeft geleerd zich zo doeltreffend mogelijk tegen op hem uitgeoefend geweld teweer te stellen.
7. Het derde middel houdt in dat de vorderingen tegen de benadeelde partijen Regiopolitie Midden- en West- Brabant en het Korps landelijke politiediensten niet voor toewijzing vatbaar zijn, omdat niet deze politiediensten maar de Staat der Nederlanden de schade aan de politievoertuigen draagt.
8. Voor wat betreft de Regiopolitie Midden- en West- Brabant miskent het middel dat de regiopolitie ingevolge art. 21 Politiewet Pro een rechtspersoon is.
9. Een dergelijke voorziening is niet getroffen voor het Korps landelijke politiediensten, dat ressorteert onder de Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.(1) Deze dienst kan als zodanig niet in zijn vordering worden ontvangen.(2)
10. Het middel slaagt ten dele.
11. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 1 mei 2007 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan 24 maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Zulks dient te leiden tot strafvermindering.
12. Ambtshalve heb ik overigens geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, alsmede voor zover de vordering van het Korps landelijke politiediensten is toegewezen en ter zake een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. De Hoge Raad kan de hoogte van de opgelegde straf verminderen naar de gebruikelijke maatstaf alsmede het Korps landelijke politiediensten in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007-2008, 31 564, nr. 3, p. 1, waar het Korps landelijke politiediensten wordt omschreven als een baten-lastendienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
2 Het Korps landelijke politiediensten neemt ook niet een positie in als de Ontvanger als degene die is belast met de invordering van rijksbelastingen; zie HR 11 april 2006, NJ 2006, 263.