ECLI:NL:PHR:2009:BH1160
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereisten voor de omkering van de bewijslast bij niet-adequate belastingaangifte
In deze zaak staat centraal onder welke voorwaarden een inhoudelijk niet adequate belastingaangifte kan worden aangemerkt als het niet doen van de vereiste aangifte, met als gevolg de omkering van de bewijslast. De belanghebbende, een voormalig advocaat en directeur van een BV, had in zijn aangifte inkomstenbelasting over 1991 aanzienlijke bedragen aan inkomsten niet vermeld. Het hof stelde vast dat het niet-aangegeven bedrag zowel absoluut als relatief groot was en concludeerde dat de vereiste aangifte niet was gedaan, waardoor de omkering van de bewijslast van toepassing was.
De belanghebbende werd strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. In het civiele belastinggeschil werd de navorderingsaanslag gehandhaafd, hoewel het hof de aanslag matigde. Tijdens de procedure werd onder meer besproken of de stukken die de belanghebbende vlak voor de zitting overhandigde, tot de processtukken mochten worden gerekend; het hof weigerde deze in verband met de procesgang.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van wat onder 'relatief aanzienlijk' moet worden verstaan. Volgens de advocaat-generaal dient bij aanslagbelastingen de verhouding te worden bepaald aan de hand van de positieve resultaten (inkomsten) zonder rekening te houden met aftrekposten. Tevens moet voor de omkering van de bewijslast worden vastgesteld dat de belastingplichtige zich bewust was van het niet aangeven van die bedragen. Omdat het hof dit laatste niet heeft gemotiveerd, wordt het arrest vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de bewustheid en de maatstaf van relatieve omvang van niet-aangegeven inkomsten.